Stotteren Nijmegen – Uit het leven van BBartt

stotteren Nijmegen

stotteren NijmegenAf en toe is stotteren zo verdomd onpraktisch. „Het is zondagavond zes uur. Je staat in de friettent en iedereen staat te dringen. Je houdt de boel goed in de gaten. ‘Wie is eraan de beurt’, vraagt de dame achter de balie (Jij!!). ‘IIIIIIIIIk’, zeg je en blijft hangen bij de ‘i’. Intussen heeft iemand anders jouw plek al opgeëist, kun je wachten op de volgende ronde en hopen dat het dan wel lukt”. Bart van den Berg uit Nijmegen, getrouwd en vader van twee kinderen (10 en 9) stottert al zijn hele leven, maar kan daar inmiddels prima mee omgaan. Hij is netwerkspecialist en begeleidt daarnaast mensen met een ‘handicap’. Hij probeert ze te laten ontdekken hoe ze van hun zwakte een kracht kunnen maken. Hij werkt onder de naam ‘BBartt’.

Als kind was hij zich niet zo van bewust van zijn afwijkende spraak. „Ik heb nooit schroom gehad te praten met vrienden, voelde me geen buitenbeentje. Ik durfde ook altijd mijn vinger op te steken in de klas als ik iets te vragen had. Dat heeft te maken met mijn sociale inslag, dat is eigenlijk mijn redding geweest. Wat ik wel heel moeilijk vond, waren leesbeurten in de klas. Dan bouwde zich al een spanning op vooraf, want was ik aan het tellen wanneer ik aan de beurt zou zijn”, aldus Van den Berg.

Ik wilde eigenlijk ook weer precies hetzelfde zijn als de anderen

„Het werd pas een probleem in de puberteit”, zegt hij.  ‘’Dan ga je er bij stilstaan hoe je overkomt op anderen. Het is vooral het idee wat je over jezelf hebt dat je niet voor vol wordt aangezien, dat je niet serieus wordt genomen.” Zo wilde hij dolgraag een vakantiebaan als vakkenvuller, maar op de bedrijfsleider afstappen om het te vragen: hoh, maar. En opbellen zat er al helemaal niet in.

Een stotteraar krijgt soms te maken met lastige paradoxen, vertelt hij. Een lerares Duits dacht hem te helpen door tijdens een leesbeurt te zeggen: stop maar. „Dat was heel lief bedoeld, maar ik vond het vervelend achteraf. Ik wilde eigenlijk ook weer precies hetzelfde zijn als de anderen.”

Logopedie stotteren

[adinserter block=”2″]Op zijn 12e ging hij, op aandrang van zijn ouders, voor het eerst naar de logopedist. Dat zette voor hem niet zo heel veel zoden aan de dijk, omdat hij nog jong was en niet de discipline had de oefeningen die hij daar leerde ook thuis te oefenen. Omdat hij de koe niet echt bij de horen vatte, ontkende hij op die leeftijd min of meer dat hij stotterde. „Ik zie het niet, dus het is er niet.” Op zijn 17e ging hij ook weer iets vloeiender praten, kreeg meer zelfvertrouwen, „Maar in het eerste jaar van mijn studie dacht ik weer: ‘ik moet er toch echt weer iets aan gaan doen’. Het léék wel alsof ik vloeiender sprak, maar dat kwam omdat ik bepaalde spreeksituaties vermeed. Ook paste ik trucjes toe om woorden te wijzigen of zinnen een andere wending te geven als ik er niet uitkwam. Je wil het stotteren vermijden.”

Inmiddels heeft Van den Berg geleerd om te gaan met zijn spraak. Het lukt hem om zijn plaats in te nemen en de tijd die hij nodig heeft te pakken. De grote omslag vond plaats toen hij eigenlijk uitgeleerd was bij zijn logopedist. „Ze kon mij niets meer leren en begon me uit te dagen. Ik moest maar eens de straat opgaan om mensen gewoon aan te spreken en iets te vragen, of ik moest bij een restaurant langsgaan om te vragen of er een tafel vrijkwam.”

Zijn docente vroeg hem of hij zijn ervaringen ook over wilde dragen op een groep studenten. „Dat heb ik gedaan. Het was fijn. Ik kon mijn zegje doen en werd gehoord. Ik kon naar hartenlust stotteren en voelde me toch veilig.” Ook een toneelcursus sterkte hem in zijn zelfvertrouwen. Daar leerde hij  technieken om de aandacht vast te houden.

Ik ben die en die, u merkt aan mij dat ik stotter

Naast zelfvertrouwen en  techniek is er nog iets anders dat het leven van een stotteraar kan veraangenamen. Van den Berg omschrijft het voor het gemak maar als ‘ontwapenen’. Het komt erop neer dat hij heel snel in een gesprek te berde brengt dat hij stottert. „De witte olifant die tussen ons in komt te staan als ik dat niet doe, moet weg”, zegt hij. „De eerste keer dat ik merkte dat dit werkte was tijdens een sollicitatiegesprek. Ik had van te voren erg getwijfeld of ik  wel zou solliciteren, vanwege mijn stotterprobleem. Aan de andere kant dacht ik: ik ben verdorie intelligent genoeg en het is precies wat ik wil. Op het gesprek heb ik gezegd: „Ik ben die en die, u merkt aan mij dat ik stotter. Dat heeft niets te maken met de spanning die ik ervaar vanwege dit gesprek, maar komt omdat ik stotter. ‘Wauw’ zeiden ze, wat goed dat je dat zegt. Ik merkte gelijk dat iedereen ontspande. Er stond opeens niets meer tussen ons in. En het mooie was: de directeur daar vertelde dat hij ook stotterde.”

Het leren accepteren van stotteren vergt volgens Van den Berg enige rijpheid en volwassenheid. „Onderken dat je het hebt. Aanvaard het en accepteer dat het wellicht iets is waar je nooit meer vanaf komt. Acceptatie is iets anders dan berusting. Het is niet de bedoeling dat je er nooit meer iets aan doet.”

Zo meldde hij zichzelf onlangs aan voor een McGuire-cursus, de cursus die centraal staat in het nieuwe programma Sprakeloos van de KRO. „Ik merkte dat ik best moeite heb met spreken, dat het vermoeiend voor me is, ondanks het feit dat ik het stotteren heb geaccepteerd en er heel open over ben”, licht hij toe. „Het was tijd er weer aan te werken.” In Sprakeloos worden jongeren gevolgd die met behulp van de McGuire-methode -waarbij stotteraars, stotteraars helpen -van het stotteren af willen komen. Van den Berg zat in dezelfde lichting, maar werd niet gefilmd.

Op de McGuire-cursus leerde hij technieken zoals spreken op een uitademing en spreken met een diepe stem als je een blokkade ervaart. Maar ook om angst te overwinnen. „We gingen oefenen met elkaar, zeg maar in onze comfortzone zodat het geleerde erin werd geslepen. Uiteindelijk werden we de straat op gestuurd en moesten contacten gaan leggen, de weg vragen of vragen waar een leuk restaurant was. De laatste dag moesten we zelfs een redevoering houden op een zeepkist in Antwerpen. Op het einde van de cursus kregen familieleden te zien wat we hadden gedaan. Ze waren apetrots.”

Als je een stotteraar even de tijd geeft, komt hij er wel uit

Opeens hoor je het. Dan spreekt Bart van den Berg drie vloeiende zinnen achter elkaar uit en blijft haken. Hij ervaart het zelf als een ‘blokkade’, zegt hij later. „Als ik bij een woord blijf hangen, heeft dat invloed op de hele zin.” Hij gaat weer terug naar het begin van de zin en probeert het opnieuw. Het lukt niet en hij probeert hij het nog eens. Nu gaat het wel.

Als toehoorder merk ik dat ik de neiging heb te gaan ‘helpen’ door woorden in te gaan vullen. „Je bedoelt dat…”, vul ik aan. Ik maak de zin af, maar dat negeert hij. Hij gaat gewoon door op zijn eigen manier. Een tweede keer slik ik het in en heb geduld, maar dat is best moeilijk.

Wat ik niet weet: ík heb geconstateerd dat Bart van den Berg, bij wie ik op bezoek ben, inderdaad af en toe stottert. Maar: híj heeft mij óók geobserveerd. „Ik zie het altijd gelijk als iemand voor het eerst merkt dat ik stotter”, zegt Van den Berg. „Dan worden mensen zenuwachtig, ongemakkelijk en onrustig.” Hij snapt dat ik zijn zin aan wil vullen, maar eigenlijk is het nou precies wat je niet moet doen, vertelt hij. „Dan gaat iemand voor mij bepalen, wat ik wil zeggen en dat is vaak niet wat ik bedoel. Als je een stotteraar even de tijd geeft, komt hij er wel uit.”

Uit: De Gelderlander, oktober 2013

Share on facebook
Facebook
Share on google
Google+
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn
Share on pinterest
Pinterest

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

× How can I help you?
X